Een Vestdijk-trio

Ranglijsten, we zijn er gek op… In VOL van Boeken #4, 2018, een uitgave van Libris Blz. B.V. staat afgedrukt de Hebban 1000, de top duizend met mooiste boeken aller tijden. De lijst werd samengesteld uit de top 25-lijstjes van de vele duizenden Hebban-leden en is geïnspireerd op de jaarlijkse Top 2000 van NPO Radio 2. Het mooiste boek aller tijden is In de Ban van de Ring van J.R.R. Tolkien. De Grote Drie, Mulisch, Hermans en Reve, staan met diverse boeken op de lijst; met een eerste vermelding voor De ontdekking van de hemel op 4, De donkere kamer van Damokles op 17 en De avonden op 56. Het is een zeer afwisselende lijst met bijvoorbeeld 31 boeken van voor 1900 en 403 boeken van tussen 2010 en heden (met De acht bergen, Cognetti, op 34). Verder moet 43% tot het genre literatuur worden gerekend, 10% tot young adult en 4% tot non-fictie. Klassiekers als Honderd jaar eenzaamheid (Márquez, 12), Eline Vere (54), Het Achterhuis (58), Max Havelaar (79) en Turks fruit (218) staan er op, evenals het net bekroonde De heilige Rita (Tommy Wieringa, 540). Gelukkig ook nog enige realiteitszin bij het samenstellen van de lijst: er worden drie titels van S. Vestdijk vermeld, Terug tot Ina Damman (274), De kellner en de levenden (380) en De koperen tuin (712).

RJ, 17 november 2018

Terug omhoog

Terug omhoog

Een tweede leven voor Kellendonk? (met bespreking van de biografie)

In de Oude Lutherse Kerk aan het Amsterdamse Spui werd ’s avonds op 27 september ‘een ‘hoogmis’ opgevoerd voor Frans Kellendonk. Aanleiding was de presentatie van zijn biografie door Jaap Goedegebuure. Celebrant was Stephan Sanders onder wiens strakke leiding de viering echt tot grote hoogten steeg. Soms ondervroeg hij zijn mede-celebranten scherp. Onder hen waren de biograaf zelf, en twee literaire critici in de functie van predikanten Bas Heijne en Xandra Schutte. Nina Polak, Arie Storm en A. F. Th. van der Heijden verzorgden de lezingen uit het werk van Kellendonk, terwijl de muzikale leiding in handen was van Ed Spanjaard. Hij vertolkte het aangrijpende gedeelte uit Dialogues des Carmélites op de piano, een opera van Poulenc. Karmelietessen worden onder de guillotine onthoofd. Spanjaard vertolkte dit stuk ook bij de uitvaart van de schrijver. De uitvoering maakte opnieuw grote indruk.

Aan de plechtigheid ging een fotoreportage vooraf waarin repeterend foto’s voorbij flitsten van Frans als baby, het gezin Kellendonk, Fransje op school in een schoolbank met inktpotje,  het omslag van de HP over ‘Het academisme in de literatuur’, de gitaarspelende Frans op zijn kamer met schuin achter zich een groot Heilig Hartbeeld, de promovendus Frans Kellendonk én Mieke Vestdijk samen met de debuterende schrijver Kellendonk die de eerste Anton Wachterprijs in ontvangst neemt. De fotoreportage was de verlevendiging van de foto-katerns uit de biografie.

Kortom er viel veel te genieten die avond. Mede omdat Kellendonk als schrijver door verschillende voorgangers gekarakteriseerd werd op een wijze die deden vermoeden met een geestverwant van Vestdijk van doen te hebben. Als lezer en bewonderaar van zowel Vestdijk als Kellendonk waren mij parallellen tussen beide schrijvers opgevallen. Ik hoorde ze nu galmend terug in de Amsterdamse kerk: Kellendonk de romanticus, een moralistisch schrijver, mysticus, ironicus; een oeuvre-bouwer op Ideeën, waardoor het een grote interne samenhang vertoont. En Kellendonk verzint niks, want schrijft autobiografisch. Als dit allemaal klopt is hij dan niet als een geestverwant van Vestdijk aan te merken? Ik heb dat altijd gedacht, maar wordt door Goedegebuure getrakteerd op de mededeling dat ‘Geheide Revisor-favorieten als Nabokov en Vestdijk niet op zijn [Kellendonk, vw.] onverdeelde bewondering konden rekenen.’ (p.165)

Volgens de biograaf bewees Kellendonk bij de uitreiking van de Anton Wachterprijs in 1978 slechts ‘lippendienst’ aan Vestdijk uit beleefdheid voor de Vestdijkkring (p.170). De onderbouwing daarvan is echter curieus, oppervlakkig en inconsistent. Aanvankelijk leek het wel de goede kant op te gaan, want op biografisch niveau vielen mij nog andere overeenkomsten tussen beide schrijvers op, waarvan de belangrijkste is de ervaring van een ‘nachtmerrie’, een jeugdtrauma die Kellendonk niet alleen noteerde, maar hem ‘verscheurde’ en desintegreerde (p.33 en 77). Een vergelijkbare emotie overkwam Vestdijk als kind toen hij droomde dat zijn moeder hem in de steek liet. Ook bij hem een gebeurtenis met een literaire impact.

Uit het juryrapport voor Anton Wachterprijs blijkt dat Bouwval bekroond werd als het beste debuut; én het was ook een debuut ‘met autobiografische elementen erin, zoals dat ook in de Anton Wachter-romans van Simon Vestdijk het geval is.’(p.169). Volgens de overlevering had Kellendonk aan de aanwezige Nico Scheepmaker laten weten dat hij blij was met de prijs, ‘mede omdat hij (…) Vestdijk in zijn middelbare schooltijd had “verslonden”, met De kellner en de levenden als grote favoriet.’ Maar aan de journalist Brokken had Kellendonk kennelijk gezegd dat zijn ‘waardering voor Vestdijk niet overhield.’ Goedegebuure houdt de mededeling van Brokken ‘meer in overeenstemming’ (p.170) met de werkelijkheid, omdat hij ‘naderhand nooit een letter aan deze voorganger heeft gewijd.’ In de hierbij opgenomen voetnoot blijkt dat Kellendonk in aantekeningen voor een interview Vestdijk wel onder zijn voorkeuren had opgenomen! (p. 475, voetnoot 43). En daar blijft het niet bij want als Kellendonk in 1988 colleges geeft over Nederlandse schrijvers in Minneapolis is Vestdijk een besproken schrijver, naast Multatuli, Couperus, Coenen, Nijhoff, Bordewijk, Reve, Hermans en Wolkers.(p.243). Een mooie selectie! En ten slotte stelt Kellendonk op het eeuwfeest van de Nederlandse anglistiek in 1986 Vestdijk en enkele anderen ten voorbeeld aan de anglisten als auteurs die zich bezig hielden met cultuuroverdracht door ‘het vervaardigen van hoogwaardige vertalingen en het geven van voorlichting in de dag- en weekbladen.’(p.310).

Goedegebuure lijkt met het predicaat ‘lippendienst’ eerder zijn eigen partis-pris prijs te geven over de waardering van Kellendonk voor Vestdijk. Of het moet zijn dat ‘leer en leven’  ook wat de literaire voorkeuren betreft bij Kellendonk nogal op gespannen voet staan. Het beeld dat Goedegebuure schetst is tegenstrijdig. Samen met de soms professorale, belerende toon en badinerende kenschets van de katholieke cultuur is het een smetje op een overigens rijke, onderhoudende en gewaagde biografie. Kellendonks ´oprecht veinzen’ als nostalgische levensbeschouwing, zijn cultuurkritiek (ook op de homoscene), de vileine kwalificaties over en van vrienden en schrijvers (Reve, Komrij), de paragraaf over ‘Politici in Kellendonks slipstream’ (Fortuyn, Wilders en Baudet!), en vooral de pijnlijke autobiografische achtergronden van Mystiek lichaam, ik las het met rode oortjes, soms van schaamte.

Wat mij betreft wél een tweede schrijversleven voor de gebiografeerde en dat is toch het oogmerk van een goede biografie. Maar of Kellendonk er zelf ook zo over denkt, betwijfel ik. Als schrijver is hij inderdaad ´briljant´, als mens ´soms omstreden´, lees ik op de omslag. Meer dan omstreden zeker na de biografie, want als persoon is hij er bepaald niet sympathieker op geworden. Vond hij daarom de biografie een overbodig genre?

Wilbert van Walstijn, 2 november 2018

Kellendonk, een biografie, Jaap Goedegebuure, uitgever Querido, 547 pagina’s.

Terug omhoog

Een museale opleving­?

Er komt een A.F.TH. van der Heijden museum. Dat was nieuws, alleen al omdat de schrijver nog in leven is. Het moet een ‘hypermodern literair centrum’ worden in Eindhoven in een voormalige kloosterbibliotheek van de paters Augustijnen. Wilma de Rek vraagt zich in Sir Edmund (27-10-10) af wat we daar moeten gaan zien? Eigenlijk schrijft ze de functie van een museum heel mooi op: ‘Een museum is een protest tegen de vergankelijkheid. Het accepteert niet dat voorwerpen vergaan, dat papier verpulvert, dat dingen in de vergetelheid raken, dat alles stroomt en niets blijft et cetera.’ Van de zomer was zij in het Literatuurmuseum om de daar aanwezige collecties te bekijken. Zit daar een leuk verhaal in? Dat viel haar niet mee. Ze zag veel voorwerpen, van wandelstokken tot de bekendste attributen: het konijn van Reve en de stofzuiger van Vestdijk en veel manuscripten en brieven. Uiteindelijk vindt Wilma de Rek dat je een schrijver het meest eert ‘door het tonen van zijn werk. Muren vol met pagina’s, dat zou het mooist zijn.’ Zou het? Ik geloof toch meer in de historische sensatie opgewekt door ‘literaire objecten, parafernalia, realia, memorabilia’. De boeken lees ik liever thuis in een rustig hoekje. Maar voor de ‘fetisj’ en het verhaal daarbij ga ik naar het museum!

WvW, 27 oktober 2018

Terug omhoog

‘Toen ik met meisjes begon te rommelen’

Journalist Fokke Obbema van de Volkskrant houdt een serie interviews over ´De zin van het leven.´ Op maandag 8 oktober was de schrijver A.L. Snijders aan de beurt. Een docent Nederlands die debuteerde toen hij al een gevorderde vijftiger was, maar niettemin voor zijn ZKV´s (Zeer Korte Verhalen) gelauwerd werd met de Constantijn Huijgensprijs. Hij is ‘vurig atheïst’ en is er ‘zeker van dat het leven absoluut geen zin heeft.’   Of toch wel? Na een stilte declameert hij luid: ‘De weg is bestendig daadloos, nochtans blijft niets ongedaan. Daar zit alles in voor mij, het is de Zin der Zinnen.’ Snijders haalt zijn kennis van het leven uit boeken. Hij toetst de werkelijkheid aan boeken. Ook inzake de liefde: ‘Toen ik met meisjes begon te rommelen, wilde ik weten of ze een bepaald boek hadden gelezen en minachtte ik ze als dat niet het geval was. Ik ben ooit begonnen met alle romans van Vestdijk. Maar eigenlijk hoef je in je leven maar tachtig boeken te lezen, dat ben ik met Maarten Biesheuvel eens.’

WvW, 9 oktober 2018

Terug omhoog

Kalender: Actueel

november 2018
M D W D V Z Z
« okt    
 1234
567891011
12131415161718
19202122232425
2627282930  

Categorieën