Kroonjuwelen

De 52 romans van Simon Vestdijk zijn wel een ‘gebergte’ in de Nederlandse literatuur genoemd, waar je niet om- en overheen kan.

De tien kroonjuwelen vormen een selectie uit de canon van meest geliefde titels.
Klik op een titel voor informatie:

Meneer Visser's hellevaart

Meneer Visser’s hellevaart

De koperen tuin

De koperen tuin

ivwachter

Ivoren wachters

pantser

Het glinsterend pantser

Ierse nachten

Ierse nachten

Aktaion onder de sterren

Aktaion onder de sterren

De kellner en de levenden

De kellner en de levenden

De ziener

De ziener

Terug tot Ina Damman

Terug tot Ina Damman

De redding van Fré Bolderhey

De redding van Fré Bolderhey

 


De favoriete verhalen en novellen van S. Vestdijk

Behalve romans schreef Vestdijk aanvankelijk ook talrijke verhalen en novellen, maar liefst 58.

Hiervan zijn er velen gebundeld verschenen. Hieronder een keuze van slechts vijf ‘kroonjuwelen’ van verhalen.

de-bruine-vriend-small

De bruine vriend

het-veer-small

Het veer

de-oubliette-small

De oubliette

de-verdwenen-horlogemaker-s

De verdwenen horlogemaker

12345-verhalen-small

Een twee drie vier vijf


14 Kroonjuwelen van gedichten.

Vestdijk beschouwde een gedicht als ‘een glanzende kiemcel’. Er is eigenlijk geen gedicht of de idee, gedachte of thematiek ervan heeft Vestdijk later in roman, verhaal, essay nader uitgewerkt. Dat maakt zijn oeuvre ook tot zulk een samenhangend geheel. Veel gedichten van Vestdijk bevatten (jeugd)herinneringen, gaan over de levenscyclus, over een liefde, of over de altijd in het vooruitzicht staande vergankelijkheid uitlopend op de dood. Bijzonder zijn ook de ‘beeldgedichten’ van Vestdijk die teruggaan op een schilderij of ets van een beeldend kunstenaar. Een bijzondere belangstelling vatte Vestdijk op voor Goden en mythologie. Op elk van deze thema’s zijn hieronder ‘kroonjuwelen’ gekozen, waarvan steeds de eerste strofe is geciteerd. Een uitzondering is gemaakt voor vermoedelijk de twee meest gebloemleesde gedichten van Vestdijk; hiervan volgt het hele gedicht.

WvW, 4 februari 2014


 (Jeugd)herinnering


ZELFKANT

zo-singel-harlingen-1898

 

Ik houd het meest van de halfland’lijkheid:
Van vage weidewinden die met lijnen
Vol waschgoed spelen; van fabrieksterreinen
Waar tusschen arm’lijk gras de lorrie rijdt,

Bevracht met het geheim der dokspoorlijnen.
Want ‘k weet, er is daar waar men ‘t leven slijt
En toch niet leeft, zwervend meer eenzaamheid
Te vinden dan in bergen of ravijnen.

De walm van stoomtram en van bleekerij
Of van de ovens waar men schelpen brandt
Is meer dan thijmgeur aanstichter van droomen,

En ‘t zwarte kalf in ‘t weitje aan de rand
Wordt door een onverhoopt gedicht bevrijd
En in één beeld met sintels opgenomen

——————————————————

GEVANGEN ZAT IK MAANDEN

Gevangen zat ik maanden, mijn viool

Snaarloos en glansloos in een hoek gesmeten;

Maar nooit was ik mijn smart zoo snel vergeten

Zoo ‘k niet mijn ziel tot zingen had geschoold.


Levenscyclus


KWIJNENDE LIEFDE

Het najaar, liefste, laat zijn lommerhoven

Maar langzaam bronzen, tegen wil en dank,

Om met dit uitstel van zijn zwaarste klank

Ons laat beraamde gaven voor te toov’ren.

——————————————————

EPILOOG

Vergeet het jaar dat u weemoedig maakt,

Vergeet het jaartal dat u heeft doen beven,

Vergeet de helden die voor ’t voetlicht sneven,

Vergeet het ziekbed waar gij hebt gewaakt.


Liefde


TERUGBLIK

Nu ‘k met haar voortleef, hunkerend naar een zoen

En streeling, is zij wel mijn liefste bezit;

Maar ‘k zou, nu ik niets beter weet dan dit,

Die eerste koelheid over willen doen,

——————————————————

KEUVELEND MET VERLIEFDE KRONEN

Keuvelend met verliefde kronen,

Ruischend de een, rits’lend de ander,

Zijn beuk en berk gaan samenwonen

Als lotgenooten van elkander,

——————————————————

WIE NIMMER NAAST HAAR AAN DE BERM GELEGEN

Wie nimmer, naast haar aan de berm gelegen,

Geduldig al haar rimpels heeft geteld

Verdient geen vrouw uit wie gezang opwelt

En geen gezang dat voortsnelt langs de wegen.


 Dood


DE UITERSTE  SECONDE

Voor Ans

met-ans-koster-en-honden

 

 

Doodgaan is de kunst om levende beelden
Met evenveel gelatenheid te dulden
Als toen zij nog hun rol in ‘t leven speelden,
Ons soms verveelden, en nochtans vervulden.

Hier stond ons huis; hier liep zij met de honden;
Hier maakte zij de bruine halsband los;
Hier hebben wij de stinkzwammen gevonden,
Op een beschutte plek in ‘t sparrenbosch.

Doodgaan is niet de aangrijpende gedachte,
Dat zij voortaan alleen die paden gaat,—
Want niemand is alleen die af kan wachten,
En niemand treurt die wandelt langs de straat,—

Maar dat dit alles wàs: een werk’lijkheid,
Die duren zal tot de uiterste seconde;
Dit is de ware wedloop met de tijd:
De halsband los, en zij met de twee honden.
——————————————————

FEUILLES MORTES

Een snik tot glimlach omgelogen,

Een rijkdom die oneindig schijnt:

Zoo zijn de blaad’ren die verdrogen

Tot kleuren als het licht verdwijnt.

——————————————————

DE OVERLEVENDE

Wanneer mijn vader sterft, laat mij dan staan

Vereenzaamd als een treurboom in ’t plantsoen,

Gesmukt met ’t eerste, avondlijkste groen,

Bijna bebloesemd, sneeuwwit aangedaan.

——————————————————

GODDELIJK DILEMMA

Eens kreeg de dood de opdracht niet te zijn

En in een ijd’le woordklank te verkeren.

Hij moest heel veel na al dat moorden leeren,

Veel honing laten vloeien in ’t venijn.


Beeldgedichten


LEZENDE TITUS

titus

 

Ik had hem alle woorden leren lezen

En zware boeken leren openslaan.

Mijn kleuren droeg hij kleurloos in zijn wezen.

Hij was te bleek. Zo ging hij hiervandaan.

 

 

­­­­­­


 Mythologie


APOLLINISCHE ODE

Droombeeld in uw donk’re nis

Met wat scheem’ring langs uw slapen,

Staat uw arm nog naar het wapen

Dat sinds lang verzonken is?

——————————————————

NARKISSOS

Holoogig spiegelbeeld van ’t groot verdwazen…

Zijn wij dit zelf? Is het een ander niet

Die ons zoo duldloos toelonkt uit het riet

Als waaz’ge deelgenoot van onze extase?